nieuws
Fiscale maatregelen inzake aanvullende pensioenen en levensverzekeringen.
In het regeerakkoord werden reeds een aantal maatregelen aangekondigd inzake de pensioenen en de aanvullende pensioenen. Een ontwerp van Programmawet voorziet nu in uitvoering van een aantal fiscale maatregelen ervan.
1. Nieuwe belastingtarieven op aanvullende pensioenen
Zoals overeengekomen in het regeerakkoord, stelt de regering voor om het belastingtarief dat wordt toegepast op de aanvullende pensioenen van de tweede pijler die zijn opgebouwd met bijdragen van de werkgever of de onderneming te verhogen van 16,5 % naar 20 % bij uitkering bij leven op de leeftijd van 60 jaar, en naar 18 %. bij uitkering op 61 jaar.
Voor uitkeringen bij leven vanaf de leeftijd van 62 jaar, of voor de uitkeringen naar aanleiding van de
pensionering of bij overlijden, blijft het tarief van 16,5 % behouden.
Ook aan het tarief van 10 %. dat werd ingevoerd in het kader van het generatiepact wordt niet geraakt, evenmin als aan de gunstige belastingheffing op de kapitalen en afkoopwaarden gevormd met persoonlijke bijdragen
De nieuwe percentages zijn van toepassing op de bijdragen, premies en pensioenen die vanaf 1 januari 2013 worden betaald of toegekend.
2. Bijzondere sociale zekerheidsbijdrage voor aanvullende pensioenen
Het ontwerp van Programmawet voert een bijzondere sociale zekerheidsbijdrage van 1,5 % in voor wat betreft de aanvullende pensioenen.
Dit komt bovenop de reeds bestaande bijdrage van 8,86 % die berekend wordt op van alle bedragen die door de werkgever gestort werden om het extra-legale voordeel te financieren.
Er wordt voorzien in een overgangssysteem.
Van 1 januari 2012 tot 31 december 2015 zal de bijzondere sociale zekerheidsbijdrage
aanvullende pensioenen verschuldigd zijn wanneer de bijdragen en/of premiestortingen voor de
opbouw van een aanvullend pensioen voor een werknemer het drempelbedrag (jaarlijks indexeerbaar) van 30 000,00 € overschrijdt.
Elke werkgever die vaststelt dat hij in een concreet jaar voor een werknemer een totaal aan bijdragen en of premiestortingen voor aanvullende pensioenopbouw uitvoert dat deze drempelwaarde overschrijdt, is in het 4e kwartaal van dat jaar de bijzondere sociale zekerheidsbijdrage verschuldigd aan de inningsinstelling waaronder de werkgever en de werknemer ressorteren,
ten belope van 1,5 % op het gedeelte van de bijdragen en/of premiebetalingen van de werkgevers dat het drempelbedrag overschrijdt.
Vanaf 1 januari 2016 zal de bijzondere sociale zekerheidsbijdrage van 1,5 % verschuldigd zijn wanneer de som van het wettelijk pensioen en de aanvullende pensioenen van de werknemer waarvoor de bijdragen en/of premies worden betaald, de pensioendoelstelling overschrijdt.
Het ontwerp definieert de verschillende componenten ( basisbedrag, loopbaanbreuk, wettelijk pensioen dat forfaitair wordt vastgelegd, het aanvullend pensioen) die van tel zijn om te bepalen of de zogenaamde pensioendoelstelling overschreden heeft of niet.
De persoonlijke gegevens betreffende het aantal reeds gepresteerde loopbaanjaren, de premies en de reeds opgebouwde reserves worden op 1 januari van elk jaar vastgesteld door vzw Sigedis.
Op die manier kan op 1 januari van elk jaar vastgesteld worden of een individu de pensioendoelstelling overschrijdt of niet.
De waarden van de parameters op 1 januari blijven het ganse jaar gelden. Bijgevolg wordt
wie in het begin van het jaar niet in overschrijding is, gans het jaar als dusdanig behandeld, ongeacht hoe zijn situatie evolueert in de loop van het jaar.
3. Databank aanvullende pensioenen
In het kader van een intensievere controle op de inning van de sociale bijdragen op aanvullende pensioenbijdragen wil de regering data over de aanvullende pensioenen (zoals ingezameld
door Sigedis) systematisch te kruisen met de gegevens van de RSZ.
De databank kan evenwel ook worden gebruikt voor andere controles, zoals bv. de controle op
de 80 pct. regel inzake inkomstenbelastingen.
Dergelijke controles kunnen natuurlijk enkel vruchten afwerpen indien de databank tijdig gevoed wordt met de nodige data. De huidige wet en de uitvoeringsbesluiten inzake de databank aanvullende pensioenen voorzien echter niet in specifieke sancties bij niet-aangifte.
Het ontwerp van Programmawet remedieert dit door een fiscaal sanctiemechanisme in voeren: de premies en bijdragen voor aanvullende pensioenen waarvoor de informatieplicht aan Sigedis niet is nagekomen, zullen niet meer aftrekbaar zijn als beroepskost of zullen in het kader van de rechtspersonenbelasting worden onderworpen aan een belastingheffing van 33 %.
Hetzelfde geldt voor de pensioenen en renten die door de werkgever of de vennootschap rechtstreeks worden uitbetaald en ook voor de interne voorzieningen die met het oog hierop werden aangelegd.
De fiscale sanctie voor het niet voldoen aan de informatieverplichting aan de databank “Opbouw aanvullende pensioenen” zal pas van toepassing zijn op de bijdragen, premies, pensioenen en renten die worden betaald of toegekend vanaf 1 januari 2013.
4. Interne individuele pensioentoezeggingen
Op grond van het huidige artikel 75 WIBP vallen de individuele pensioentoezeggingen aan vennootschapsmandatarissen en de op 16 november 2003 bestaande individuele pensioentoezeggingen aan andere zelfstandige bedrijfsleiders dan vennootschapsmandatarissen
of aan werknemers buiten het bestek van de WIBP.
Het concrete gevolg van deze uitsluiting is dat er voor die toezeggingen geen verplichting bestaat tot externalisering, dit wil zeggen om het beheer van die toezegging toe te vertrouwen aan een toegelaten pensioeninstelling, hetzij een verzekeringsonderneming, hetzij een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.
Indien wordt gekozen voor een interne financiering van deze toezeggingen bestaan er vandaag in de praktijk twee mogelijke financieringstechnieken:
— de aanleg van provisies op de balans van de vennootschap of de werkgever;
— het afsluiten van een bedrijfsleidersverzekering in het voordeel van de vennootschap of de werkgever;
Dit uitzonderingsregime voor individuele pensioentoezeggingen wordt thans beëindigd.
De verplichte externalisering geldt voor alle nieuwe individuele pensioentoezeggingen, maar ook voor de al bestaande individuele pensioentoezeggingen die vandaag nog intern gefinancierd worden.
Voor die al bestaande interne individuele pensioentoezeggingen wordt wel voorzien in een overgangsregeling.
Bron: Ontwerp van Programmawet van 15 mei 2012